Regeling spoorwegpersoneelToelichting
Algemeen
Deze regeling geeft gedetailleerd invulling aan een viertal in het Besluit spoorwegpersoneel genoemde onderwerpen, te weten de keuringsprocedure, de medische en de psychologische eisen en het praktijkprogramma van machinisten in opleiding. De opgenomen bepalingen hebben betrekking op reeds bestaande werkwijzen, veelal eerder opgenomen in normbladen van de toenmalige taakorganisatie Railned. De daarin opgenomen inhoud is, waar wenselijk of nodig, aangepast aan de nieuwe structuur die wordt ingevoerd door de Spoorwegwet.
Doel regeling
Het doel van het vastleggen van de keuringsprocedure in deze regeling en de medische en psychologische eisen is het waarborgen van de belangen van de te keuren personen en het creëren van rechtszekerheid. Op deze wijze weet de keurling aan welke vereisten hij moet voldoen om een verklaring van medische en psychologische geschiktheid te kunnen verkrijgen en in welke gevallen hij afgekeurd kan worden. In het geval van afkeuring biedt deze regeling de keurling de mogelijkheid tot een onafhankelijke herkeuring. In deze regeling zijn eisen opgenomen met betrekking tot het praktijkprogramma voor machinisten in opleiding om te waarborgen dat toekomstige machinisten een gevarieerde praktijkopleiding krijgen, waar zij op een groot aantal trajecten met verschillende spoorvoertuigen leren te rijden.
De keuringsprocedure
De keuringsprocedure bestaat uit zowel een medische als een psychologische keuring. In het Besluit spoorwegpersoneel zijn bepalingen opgenomen over de instanties die de keuringen verrichten (artikel 28), en de afgifte, inhoud en geldigheidsduur van verklaringen van medische en psychologische geschiktheid. In deze regeling wordt verder invulling gegeven aan de te volgen procedure, zowel voor keuring als herkeuring.
Daarbij kan, in tegenstelling tot de keuring in eerste aanleg, de herkeuring slechts geschieden door één instituut. Dit om ‘shopping’ te voorkomen. De keuringen worden uitgevoerd door een aantal door de minister daartoe erkende organisaties. Om een goede procedure en de belangen van de te keuren personen te waarborgen, is het gewenst enkele voorschriften voor de keuringsprocedure te geven, met inbegrip van een onafhankelijke herkeuring.
De medische en de psychologische eisen
De medische eisen in deze regeling hebben in overeenstemming met artikel 26 van het Besluit spoorwegpersoneel betrekking op het gezichtsvermogen, het gehoorvermogen, het vermogen tot reageren en handelen, geestesvermogens en het gebruik van stoffen die het gezichtsvermogen, het vermogen tot reageren en handelen en het beoordelingsvermogen kunnen beïnvloeden. De psychologische eisen hebben in overeenstemming met artikel 27 van het Besluit spoorwegpersoneel betrekking op algemeen verstandelijk vermogen, voorstellingsvermogen, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid, reactievermogen, concentratie en aandacht, emotionele stabiliteit en specifieke, aan de werksituatie verbonden aspecten. De medische en psychologische eisen kunnen verschillen afhankelijk van de veiligheidsfunctie.
Op grond van deze regeling kan voor het voldoen aan de vereisten een ontheffing worden gevraagd. De keuringsnormen in deze regeling zijn kort en bondig weergegeven. Alleen elementen van spoorwegveiligheid spelen hier een rol. Andere redenen voor het stellen van medische eisen, zoals afstemming op de arbeidssituatie, zijn niet in deze keuringsnormen in ogenschouw genomen. Met de Wet Medische Keuringen heeft een werkgever een instrument om tot een goede beoordeling te komen of een keuring op nog andere aspecten gewenst is.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Bij de definities wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds het keuringsinstituut en anderzijds de arts-deskundige. Beide worden door de minister aangewezen. Het belangrijkste verschil tussen beide is dat het keuringsinstituut de daadwerkelijke keuring doet. Dat gebeurt door een keuringsarts die bekend is met de taken van de betrokkenen binnen het spoorwegverkeer. Een keuringsarts kan echter in specifieke gevallen (bijvoorbeeld als hij overweegt een te keuren persoon onder voorwaarden of beperkingen goed te keuren) behoefte hebben aan het advies van een collega-arts, die op een bepaald terrein over specialistische kennis beschikt. Daarom wordt voorzien in de aanwijzing van enkele op het relevante terrein gespecialiseerde artsen: de artsdeskundige. Deze aanwijzing geschiedt op naam. De arts-deskundige verricht geen keuring, hij geeft de keuringsarts alleen advies. Door hun specialisatie
kunnen deze artsen de keuringsarts verdergaand inzicht geven in de eisen en risico’s ten aanzien van deelname aan het spoorwegverkeer.
Artikel 3
Indien een keurling niet aan een bepaalde eis voldoet, kan hij toch worden goedgekeurd indien de keuringsarts vaststelt dat de keuringseis waaraan niet wordt voldaan, voldoende wordt gecompenseerd. Voorbeeld is het gehoorvermogen. Indien dit volgens de norm onvoldoende is, maar dit gecompenseerd wordt door ervaring in het herkennen en intuïtief beoordelen van bepaalde geluiden, kan een keurling wellicht toch worden goedgekeurd. Overigens is in zo’n geval altijd een advies van de artsdeskundige noodzakelijk en mag een veilige uitoefening van de functie niet in gevaar komen.
Artikel 7
Indien een keurling herkeuring wil aanvragen naar aanleiding van een keuringsuitslag waarover door de keuringsarts geen advies is ingewonnen bij een arts-deskundige, doet de keuringsarts dit alsnog. Doel hiervan is om het aantal bezwaren tegen de keuringsuitslagen zoveel mogelijk te beperken. Het kan immers zijn dat het advies van de artsdeskundige aanleiding is voor de keuringsarts om de keuringsuitslag te herzien, waardoor de keurling kan besluiten zijn bezwaar in te trekken.
Artikel 11
Omdat, sterker dan in het wegverkeer, sprake is van individuele beoordeling, is het niet zinvol of mogelijk om naast de keuringseisen ook hun toepassing, met inbegrip van de mogelijkheden voor taakgebonden variatie, en een toelichting daarbij, te vervatten in deze regeling. Daarom wordt voorzien in een afzonderlijke keuringsrichtlijn, waarin die toelichting en uitleg is opgenomen. De keuringsartsen kunnen deze richtlijn bij de vorming van hun oordeel toepassen. Zo zal in de richtlijnen ondermeer sturing worden gegeven aan de vrijheid die keuringsartsen hebben om in individuele gevallen een keurling onder voorwaarden of beperkingen goed te keuren.
Artikelen 12 tot en met 14
Met de artikelen 12 tot en met 14 wordt artikel 21 van het Besluit spoorwegpersoneel uitgewerkt. Geregeld wordt ondermeer aan welke vereisten een mentor- machinist moet voldoen en wat de inhoud van het praktijkprogramma van machinisten-in-opleiding inhoudt.